Bijna elk merk dat landed cost verkeerd berekent, kent de formule. Wat er misgaat zit ergens anders: in hoe je gedeelde kosten over verschillende SKU's verdeelt, in het verschil tussen een kostenpost en een voorschot, en in de vraag hoeveel keten er al in een quote zat. Deze gids gaat over die drie dingen, en over de posten die in geen enkel eerste model staan.
Wat landed cost is en waarom de laagste fabrieksprijs zelden de laagste kostprijs oplevert, staat in wat zijn landed costs. Die definitie herhalen we hier niet. Wat hier staat, is hoe je het getal daadwerkelijk opbouwt voor een Nederlandse importeur die uit een land buiten de EU koopt.
De formule is het makkelijke deel
Landed cost = productkosten + vracht + verzekering + heffingen bij invoer + inklaring + natransport
Onvolledig, en dat is precies het probleem: elke term aan de rechterkant bestaat uit meerdere regels, en twee van die regels horen niet in je marge.
De formule zegt niets over de twee vragen die er echt in zitten. Ten eerste: hoeveel van elke gedeelde kostenpost hoort bij welk product? Ten tweede: welke van deze bedragen ben je definitief kwijt en welke krijg je terug? Wie die twee vragen niet expliciet beantwoordt, produceert een getal dat klopt op zendingniveau en misleidt op SKU-niveau.
Toewijzen: het echte werk zit in de verdeelsleutel
Een zending bevat zelden één product. Je vrachtfactuur is één bedrag, je inklaringsfactuur is één bedrag, en je marge wordt per SKU berekend. Er zit dus altijd een verdeelsleutel tussen, en die keuze is geen administratief detail: hij bepaalt welk product er winstgevend uitziet.
Neem één zending met twee producten en €2.800 aan vracht. SKU A is compact en duur: 1.000 stuks, 4 m³, €20.000 inkoopwaarde. SKU B is volumineus en goedkoop: 500 stuks, 40 m³, €5.000 inkoopwaarde. Dezelfde vrachtkosten, drie gangbare sleutels:
| Verdeelsleutel | SKU A — 1.000 stuks, 4 m³, €20.000 | SKU B — 500 stuks, 40 m³, €5.000 |
|---|---|---|
| Gelijk per stuk | €1,87 per stuk | €1,87 per stuk |
| Naar inkoopwaarde | €2,24 per stuk | €1,12 per stuk |
| Naar volume | €0,25 per stuk | €5,09 per stuk |
Illustratieve rekenvoorbeelden — neem de bedragen niet over. Onder de volumesleutel kost SKU B ruim viereneenhalf keer zo veel vracht per stuk als onder de waardesleutel. Als je brutomarge op SKU B rond de twintig procent ligt, bepaalt je keuze van verdeelsleutel of dat product winst of verlies maakt.
Er is één regel die de discussie beëindigt: verdeel elke kostenpost naar de eenheid waarop die kostenpost is berekend. Je vervoerder rekende op basis van gewicht of volume — welke van de twee staat op je vrachtquote, en dat is je sleutel. Je verzekeraar rekende over waarde. Invoerrecht heeft zijn eigen grondslag per aangifteregel en hoort dus nooit over de hele zending uitgesmeerd. Inklaringskosten hangen aan het aantal aangifteregels. Zodra je kosten verdeelt naar een eenheid die de leverancier van die kosten niet heeft gebruikt, ben je aan het herverdelen tussen je eigen producten.
| Sleutel | Wat hij meet | Wanneer hij eerlijk is | Wat hij vertekent |
|---|---|---|---|
| Gelijk per stuk | Niets — hij verdeelt alleen | Alleen als je SKU's vergelijkbaar zijn in gewicht, volume en waarde | Compacte producten subsidiëren volumineuze |
| Naar gewicht | Kilo's, of het belastbaar gewicht van je vervoerder | Luchtvracht, koeriers, en zeevracht van zware en dichte goederen | Lichte, volumineuze goederen lijken goedkoop |
| Naar volume | Kubieke meters of laadmeters | Zeevracht en wegvervoer, waar het laadruim de grens is | Zware, compacte goederen lijken goedkoop |
| Naar waarde | Inkoopwaarde | Verzekering, en heffingen die over de waarde worden berekend | Duurdere producten dragen kosten die ze niet veroorzaken |
| Per aangifteregel | Administratieve handelingen | Inklaringskosten, aangiftekosten en toeslagen per regel | Grote SKU's en kleine SKU's betalen hetzelfde, wat hier juist correct is |
Alle kostenposten, ook de posten die niemand begroot
Een eerste landed-costmodel heeft meestal vier regels: fabrieksprijs, vracht, invoerrecht, natransport. Het model dat klopt heeft er twintig. Dit is de volledige lijst, gegroepeerd naar waar in de keten de kosten ontstaan.
Bij de fabriek en vóór verzending
- De fabrieksprijs zelf, op een expliciet genoemde Incoterm.
- Gereedschap, mallen en ontwikkelkosten. Eenmalig, maar je moet ze over een volume afschrijven — en dan is de vraag over welk volume, want dat is een aanname over je herhaalorders.
- Materiaaltoeslagen of prijsindexaties die in je ordervoorwaarden staan.
- Inspectie en labtesten: mandagen plus reiskosten van je inspectiepartij, en testkosten per norm.
- Verpakking, met name als jouw verpakkingsontwerp het verpakte volume bepaalt — dan is dit ook een vrachtbeslissing.
- Voorvervoer naar de haven of het vliegveld van vertrek, en de exportformaliteiten daar. Bij FOB zit dat er al in; bij EXW niet.
Internationale vracht
- Het hoofdvervoer, op basis van gewicht of volume — kijk expliciet welke van de twee je vervoerder gebruikt.
- Toeslagen die als aparte regel op de quote staan of er juist ontbreken: brandstof, piekseizoen, congestie, oorlogs- en verzekeringstoeslagen.
- Documentkosten: bill of lading, telex release, wijzigingen.
- Verzekering, meestal over waarde plus vracht plus een opslag. Onverzekerd vervoeren is geen besparing maar een open risico op je hele ordervolume.
Bij aankomst en bij invoer
- Terminal- en havenkosten bij aankomst, inclusief de kosten die de terminal aan de vervoerder factureert en die doorlopen naar jou.
- Invoerrecht, en waar van toepassing antidumping- of compenserende rechten.
- Btw bij invoer — in je cashflow, niet in je marge. Zie de volgende sectie.
- Inklaringskosten van je douaneagent: een bedrag per aangifte plus een bedrag per extra aangifteregel.
- Kosten van fysieke controle of scan als de Douane daarom vraagt, inclusief het transport naar de scanlocatie.
- Standgeld en detentiekosten. Dit is de post die het vaakst op nul staat en het vaakst wordt betaald: zodra een document ontbreekt of een indeling wordt bevraagd, loopt de teller. Zet er een risicobedrag voor, geen nul.
Na inklaring
- Natransport van de haven naar je warehouse, per container of per pallet.
- Lossen, inslag en eventueel ompakken of labelen in het warehouse.
- Opslag tot verkoop. Dit is een tijdkost: hij hangt aan je omloopsnelheid, niet aan je order.
- Afkeur en beschadiging bij ontvangst, die je verkoopbaar aantal verkleinen terwijl de kosten al gemaakt zijn.
Geld, tijd en risico
- Valutakoers en -spread: het verschil tussen de dagkoers en de koers die je bank of betaalplatform rekent, plus eventuele hedgekosten. Op een order in dollars is dit vaak een groter bedrag dan je inklaring.
- Betaalkosten: overboekingen, kosten van een letter of credit, of platformkosten.
- Rentelast op voorraad: je kapitaalkosten maal de gemiddelde voorraadwaarde maal de tijd dat die er staat.
- Retouren en garantie, als percentage van je verkochte stuks maal de landed cost per stuk.
- Compliance en documentatie: testrapporten, certificering, en het onderhoud daarvan bij een productwijziging.
Btw bij invoer is geen kostenpost — behalve in je cashflow
Dit is de sectie waar de meeste Nederlandse landed-costmodellen fout gaan, in beide richtingen: btw bij invoer wordt óf als kostenpost in de marge gezet — waardoor elk importproduct er onterecht slecht uitziet — óf volledig weggelaten, waardoor je cashflowplanning het bedrag mist dat je feitelijk voorschiet.
- Btw bij invoer
- De omzetbelasting die je verschuldigd bent bij invoer van goederen uit een land buiten de EU. Je geeft die aan bij de Douane met een invoeraangifte, en de Belastingdienst berekent hem over de douanewaarde van de goederen.
Het eerste onderscheid is fiscaal, en het is absoluut. Invoerrecht is definitief: je betaalt het, je krijgt het niet terug, en het hoort dus in je kostprijs en in elke margevergelijking. Btw bij invoer is dat niet. De Belastingdienst is er expliciet over: de bij de Douane betaalde btw trek je als voorbelasting af in je btw-aangifte, als je recht hebt op aftrek van btw. Voor een normaal btw-plichtige importeur is btw bij invoer dus geen kostenpost maar een voorschot.
Dat maakt het een werkkapitaalvraag. Je betaalt bij invoer, en je verrekent in je btw-aangifte over het tijdvak waarin die invoer valt. Tussen die twee momenten zit tijd, en in die tijd staat het bedrag bij de Belastingdienst en niet bij jou. Op een importvolume van enige omvang is dat de grootste enkele post op je liquiditeitsprognose die niets met je marge te maken heeft.
Twee grondslagen, twee getallen
Voor het invoerrecht is de grondslag de douanewaarde volgens het douanewetboek van de Unie. Die is in beginsel de transactiewaarde: de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Daar komen volgens artikel 71 DWU de kosten van vervoer en verzekering tot aan dat douanegebied bij, voor zover die niet al in de betaalde prijs zitten. En volgens artikel 72 DWU gaan de kosten van het vervoer binnen het douanegebied er weer af.
Voor de btw bij invoer beschrijft de Belastingdienst de grondslag anders: de transactiewaarde van de goederen, plus de bijkomende kosten tot op de plaats van bestemming binnen de EU — commissie, verpakking, vervoer en verzekering — plus de belastingen en heffingen bij invoer zelf, waarbij de btw uiteraard niet in zijn eigen grondslag zit.
| Onderdeel | Grondslag voor het invoerrecht | Grondslag voor de btw bij invoer |
|---|---|---|
| Transactiewaarde: de werkelijk betaalde of te betalen prijs | Ja — het uitgangspunt (artikel 70 DWU) | Ja |
| Vervoer en verzekering tot aan het douanegebied van de Unie | Ja, voor zover niet al in de prijs begrepen (artikel 71 DWU) | Ja |
| Vervoer binnen het douanegebied, na de buitengrens | Nee — gaat er juist af (artikel 72 DWU) | Ja, tot op de plaats van bestemming binnen de EU |
| Commissie en verpakking | Volgens de bijtellingsregels van artikel 71 DWU | Ja, genoemd als bijkomende kosten |
| Het invoerrecht zelf | Nee | Ja — heffingen bij invoer horen in de grondslag |
| De btw zelf | Nee | Nee |
Let op het woord "douanewaarde": zowel de Douane als de Belastingdienst gebruikt het, en de opsomming van bestanddelen verschilt. Lees daarom de bestanddelen, niet het label — en reken de twee grondslagen apart uit in plaats van één getal voor beide te gebruiken.
De douanewaarde volgt daarnaast een vaste rangorde van methoden. Is er geen bruikbare transactiewaarde — bijvoorbeeld bij een levering tussen verbonden partijen zonder verkoop, of bij consignatie — dan komt de waarde van identieke goederen, dan van soortgelijke goederen, dan de terugrekenmethode, dan de berekende waarde, en pas als laatste een vaststelling op basis van redelijke middelen. Je mag die volgorde niet omkeren omdat een andere methode gunstiger uitkomt.
De vergunning artikel 23
Nederland kent een manier om het voorschot volledig weg te nemen. Je kunt de invoer-btw aangeven in je eigen btw-aangifte in plaats van hem bij de Douane af te rekenen. Daarvoor vraag je schriftelijk een vergunning artikel 23 aan bij je belastingkantoor. Met die vergunning hoef je bij de Douane geen btw te betalen: je geeft hem aan en trekt hem in dezelfde aangifte af, zodat je per saldo geen btw over die invoer betaalt.
De Belastingdienst noemt drie voorwaarden:
- Je woont als ondernemer in Nederland of bent hier gevestigd.
- Je voert regelmatig goederen in uit landen buiten de EU.
- Je voert een aparte administratie waaruit eenvoudig blijkt hoeveel btw je bij invoer moet betalen.
Twee dingen beperken hem. Met een vergunning artikel 23 mag je geen jaaraangifte doen — je btw-aangifte gaat dus naar een kortere frequentie. En pas je de kleineondernemersregeling toe, dan kun je niet voor een vergunning artikel 23 kiezen.
Waar je inklaart bepaalt aan wie je betaalt
Invoer is belast in het land waar de goederen de EU binnenkomen, en dat betekent dat je de btw aan de belastingdienst van dat land betaalt. Kom je binnen en klaar je in bij een haven in een ander EU-land, dan werkt een Nederlandse vergunning artikel 23 daar niet. Er is één mechanisme dat precies hierop ingrijpt: goederen die onder douanetoezicht blijven, onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrecht vallen, of onder extern douanevervoer reizen, hoeven de btw op dat moment nog niet te betalen — de invoer vindt dan plaats in het EU-land waar ze aan die regeling worden onttrokken. Dat is de reden dat je route en je aangifteplaats een fiscale beslissing zijn, en niet alleen een logistieke.
Incoterms bepalen hoeveel keten er al in een quote zit
Incoterms® zijn een set van elf drieletterige handelstermen van de International Chamber of Commerce, voor het eerst gepubliceerd in 1936. Ze verdelen de taken, kosten en risico's tussen verkoper en koper bij de levering van goederen en worden door UNCITRAL erkend als de wereldwijde standaard voor de uitleg van de meest gebruikte termen in de internationale handel. De huidige versie, Incoterms® 2020, geldt sinds 1 januari 2020. In die versie staan alle kosten van een regel bij elkaar in artikel A9/B9 van die regel — dat is de plek waar je kijkt als je wil weten wat een quote al bevat.
De elf termen zijn EXW (Ex Works), FCA (Free Carrier), FAS (Free Alongside Ship), FOB (Free On Board Vessel), CFR (Cost and Freight), CIF (Cost, Insurance and Freight), CPT (Carriage Paid to), CIP (Carriage and Insurance Paid to), DAP (Delivered At Place), DPU (Delivered At Place Unloaded) en DDP (Delivered Duty Paid). CIF is voorbehouden aan zeevervoer.
| Term | Wat de naam signaleert | Wat je zelf nog moet begroten |
|---|---|---|
| EXW — Ex Works | Het product staat klaar op de locatie van de verkoper | Ophalen, exportformaliteiten, voorvervoer, hoofdvervoer, verzekering, aankomstkosten, invoerrecht, btw, inklaring en natransport |
| FOB — Free On Board Vessel | Aflevering aan boord in de haven van vertrek | Zeevracht, verzekering, terminal- en havenkosten bij aankomst, invoerrecht, btw, inklaring, natransport |
| CIF — Cost, Insurance and Freight | Zeevracht en verzekering tot de haven van bestemming zitten in de prijs | Terminal- en havenkosten bij aankomst, invoerrecht, btw, inklaring, natransport |
| DAP — Delivered At Place | Levering op een afgesproken plaats, niet gelost | Lossen, en de invoerkant: controleer expliciet wie de aangifte doet en wie de rechten en btw draagt |
| DDP — Delivered Duty Paid | Levering met de invoerrechten voor rekening van de verkoper | Op papier weinig — maar wel wie de aangifte doet, of jij nog aftrekgerechtigd bent voor de btw, en welke waarde er is aangegeven |
Oriëntatie, geen contract. De verdeling die geldt, staat in de tekst van de regel zelf — in Incoterms® 2020 bij artikel A9/B9 — en niet in een samenvatting, ook niet in deze.
Twee praktische gevolgen. Het eerste is vergelijkbaarheid: een FOB-prijs en een DDP-prijs verschillen niet in de prijs van het product maar in hoeveel keten erin zit. Reken elke quote eerst om naar hetzelfde punt — bij voorkeur je eigen warehouse — voordat je ze naast elkaar legt. Het tweede is de douanewaarde: de term bepaalt ook wat je moet bijtellen of aftrekken. Een FOB-quote mist per definitie de bijtelling van vervoer en verzekering tot de buitengrens, en een DDP-quote bevat kosten die er voor de douanewaarde deels weer uit moeten. Wie de quoteprijs zonder correctie als douanewaarde gebruikt, geeft in het ene geval te weinig aan en in het andere te veel.
Invoerrechten: indeling en oorsprong bepalen het tarief
Je tarief volgt uit twee dingen, en uit niets anders: onder welke goederencode je product valt, en welke oorsprong het heeft. Het eerste zoek je op in TARIC, de geïntegreerde tarieflijst van de Europese Unie. Dat is een meertalige database met alle maatregelen van het gemeenschappelijk douanetarief en van de handels- en landbouwwetgeving, die uniform in alle EU-landen wordt toegepast en dagelijks naar de nationale douaneadministraties wordt verzonden.
In TARIC vind je het derdelandenrecht — het recht dat geldt voor alle invoer van oorsprong uit een land buiten de EU — plus tariefpreferenties, autonome schorsingen, tariefcontingenten, handelsbeschermingsinstrumenten zoals antidumpingrechten en compenserende rechten, verboden en beperkingen, toezichtmaatregelen, de goederennomenclatuur met aanvullende codes, en de aanvullende eenheden. Wat je er expliciet níet vindt: nationale heffingen zoals btw- en accijnstarieven. Voor die twee ben je bij de Belastingdienst.
Oorsprong is het tweede been, en het wordt het vaakst verkeerd begrepen. Oorsprongsregels bepalen de economische nationaliteit van goederen: waar ze geacht worden te zijn voortgebracht of vervaardigd — niet waar ze verscheept zijn. Naast indeling en douanewaarde is oorsprong daarmee de derde factor die je heffing bepaalt.
- Niet-preferentiële oorsprong bepaalt onder meer of het meestbegunstigingstarief geldt, of er antidumpingrechten of compenserende rechten van toepassing zijn, of een embargo, vrijwaringsmaatregel, kwantitatieve beperking of contingent geldt — en daarnaast je handelsstatistiek, aanbestedingspositie en oorsprongsaanduiding.
- Preferentiële oorsprong bepaalt of je product kwalificeert als product van oorsprong uit een land waarmee de EU een preferentiële regeling heeft. Dat levert een lager tarief op, of een nultarief. Die regelingen zijn deels eenzijdig — zoals het stelsel van algemene preferenties, waarbinnen de Everything But Arms-regeling voor bijna alle producten rechten- en contingentvrije toegang geeft, met uitzondering van wapens en munitie — en deels wederkerig, in de vorm van vrijhandelsovereenkomsten.
Voor een merk is dit geen administratief detail maar een ontwerpvraag. Twee identiek uitziende producten uit dezelfde fabriek, met materiaal uit verschillende landen, kunnen een verschillende preferentiële status hebben en dus een ander tarief. Dat is de reden dat een materiaalbeslissing ook een douanebeslissing is, en waarom je hem niet los van je landed cost neemt. Hoe je daar legitiem op stuurt — met productontwerp, materiaalherkomst en productielocatie, binnen de regels — staat in importheffingen verlagen.
Wil je zekerheid vooraf, dan bestaat die. Je kunt bij de douaneautoriteiten een bindende inlichting aanvragen: een BTI-beschikking over de goederencode waaronder je product in de Gecombineerde Nomenclatuur valt, of een BOI-beschikking over de oorsprong die aan je product wordt toegekend. Beide zijn geldig in alle lidstaten van de Europese Unie voor een periode van drie jaar, gerekend vanaf de dag waarop de beschikking van kracht wordt. In Nederland geeft het Landelijk Tariefindeling Team de BTI-beschikkingen af en het Landelijk Oorsprong team de BOI-beschikkingen. Voor een product dat je jaren gaat verkopen, is dat drie jaar rust op de grootste variabele in je kostprijs.
De verandering die e-commerce direct raakt
Tot 1 juli gold een vrijstelling van invoerrechten bij invoer van pakketjes; de EU heeft die vrijstelling afgeschaft. Sinds 1 juli 2026 betaal je als aangever € 3 invoerrechten voor e-commercezendingen van buiten de EU tot en met € 150, en dat is een bedrag per soort product: € 3 per aangifteregel. Zitten er in één zending een potlood en een fietsbel, dan betaal je twee keer € 3. Dit tarief geldt voor de periode van 1 juli 2026 tot 1 juli 2028; vanaf 1 juli 2028 geldt het gemeenschappelijk douanetarief. Daarnaast moet je sinds 1 juli 2026 zekerheid stellen voor aangiftes van e-commercezendingen, via een vergunning doorlopende zekerheid of een vergunning uitstel van betaling, voor 100% van het referentiebedrag.
Dit gaat over pakketzendingen, niet over je containerimport. Maar als een deel van je model bestaat uit rechtstreeks vanuit Azië verzenden, dan verandert je kostprijs per order hierdoor, en het aantal artikelsoorten per zending is dan plotseling een kostenvariabele.
Inklaring en de documenten die moeten bestaan
Inklaring is geen kostenpost maar een moment waarop alles wat je eerder hebt vastgelegd tegelijk wordt gecontroleerd. Alles wat dan niet klopt, kost tijd, en tijd in een haven kost geld per dag.
- Aanwezig en onderling consistent, vóór aankomst
- Een registratie als aangever bij de douane voor de partij die de aangifte doet — in de EU het EORI-nummer.
- Commerciële factuur met een prijs die overeenkomt met wat je werkelijk betaalt of gaat betalen; dat is de transactiewaarde waarop je douanewaarde is gebaseerd.
- Paklijst die per collo aansluit op de factuur, met gewichten en afmetingen.
- Vervoersdocument: bill of lading of air waybill, op de juiste naam.
- Goederencode per artikel, met de onderbouwing waarom dat de juiste code is — en dezelfde code als vorige zending, tenzij er een reden is dat hij veranderde.
- Oorsprongsbewijs of oorsprongsverklaring, als je een preferentieel tarief claimt, met een onderbouwing die aansluit op je BOM.
- Vracht- en verzekeringskosten apart gespecificeerd, zodat de bijtelling en de aftrek voor de douanewaarde te maken zijn.
- Product- en compliancedocumentatie die bij je goederencode kan worden opgevraagd.
Het patroon in de fouten is bijna altijd hetzelfde: het document bestaat wel, maar het klopt niet met een ander document. Een factuurwaarde die niet aansluit op de paklijst. Een goederencode die per zending wisselt zonder dat het product veranderde. Een oorsprongsverklaring die niet te rijmen valt met de materialen in je BOM. Elke inconsistentie is een vraag, en elke vraag is een dag waarop je container ergens staat en je verkoopseizoen doorloopt.
Twee uitgewerkte voorbeelden met een verschillende vorm
Landed cost gedraagt zich anders per producttype, en dat is de reden dat één vuistregel — "reken twintig procent op de fabrieksprijs" — voor de helft van je assortiment fout is. Beide voorbeelden hieronder zijn volledig illustratief. Het invoerrechtpercentage is een plaatsvervangend getal om de rekensom te laten werken, geen tarief: het echte tarief voor jouw product volgt uit je goederencode en je oorsprong in TARIC.
Voorbeeld 1 — licht en hoogwaardig: het invoerrecht domineert
| Regel | Bedrag | Per stuk |
|---|---|---|
| Fabrieksprijs FOB, 1.000 × €18,00 | €18.000,00 | €18,00 |
| Zeevracht, terminal- en documentkosten | €420,00 | €0,42 |
| Verzekering | €60,00 | €0,06 |
| Douanewaarde (artikel 70 en 71 DWU) | €18.480,00 | €18,48 |
| Invoerrecht, plaatsvervangend 8% — geen tarief | €1.478,40 | €1,48 |
| Inklaring en aangifte | €95,00 | €0,10 |
| Natransport haven naar warehouse | €180,00 | €0,18 |
| Landed cost | €20.233,40 | €20,23 |
De opslag op de fabrieksprijs is hier ongeveer 12%. Van die opslag is het invoerrecht ruim driekwart: het invoerrecht is €1,48 per stuk tegenover €0,48 aan vracht en verzekering.
Wat dat betekent voor waar je aandacht loont: een vrachtbesparing van twintig procent is hier €0,08 per stuk. Een correcte, goed onderbouwde indeling of een preferentiële oorsprong waarvoor je product daadwerkelijk kwalificeert, gaat over €1,48 per stuk. En vijf procent van de fabrieksprijs af onderhandelen is €0,90. De rangorde is dus: eerst je douanepositie, dan de fabrieksprijs, en dan — ver daarachter — de vracht.
Voorbeeld 2 — volumineus en laagwaardig: de vracht domineert
| Regel | Bedrag | Per stuk |
|---|---|---|
| Fabrieksprijs FOB, 1.200 × €7,50 | €9.000,00 | €7,50 |
| Zeevracht 40ft, terminal- en documentkosten | €2.800,00 | €2,33 |
| Verzekering | €40,00 | €0,03 |
| Douanewaarde (artikel 70 en 71 DWU) | €11.840,00 | €9,87 |
| Invoerrecht, plaatsvervangend 4% — geen tarief | €473,60 | €0,39 |
| Inklaring en aangifte | €95,00 | €0,08 |
| Natransport en lossen | €420,00 | €0,35 |
| Landed cost | €12.828,60 | €10,69 |
Dezelfde structuur, een compleet andere verdeling: de opslag op de fabrieksprijs is hier ruim 42%, waarvan vracht en verzekering het grootste deel zijn — €2,37 per stuk tegenover €0,39 aan invoerrecht.
Hier verschuift de rangorde volledig. Vijf procent van de fabrieksprijs af onderhandelen is €0,375 per stuk. Vijftien procent minder verpakt volume — een kleinere doos, een geneste vorm, een platte verpakking die pas bij jou wordt gevouwen — is ongeveer €0,35 per stuk, en dat is een ontwerpbeslissing die je zelf kunt nemen zonder iemands medewerking. Aan het invoerrecht valt in dit voorbeeld nauwelijks iets te halen, want het is maar €0,39 per stuk in totaal.
Dat is de bruikbare conclusie van beide voorbeelden samen: welke maatregel je marge het meest verbetert, hangt af van de vorm van je product, en die vorm ken je pas als je de posten apart hebt uitgerekend. Waar in het sourcingtraject je die vorm nog kunt veranderen, staat in de product sourcing gids — het antwoord is: bij je materiaal- en verpakkingskeuze, niet bij je vrachtonderhandeling.
Landen vergelijken als structuur, niet als tabel met tarieven
Een landenvergelijking op fabrieksprijs is bijna altijd misleidend, omdat de vier andere effecten in tegengestelde richting bewegen. Onderstaande opzet is de structuur; de getallen zijn verzonnen om te laten zien hoe hij werkt. De laatste kolom is het punt.
| Factor | Land A | Land B | Wat het getal bepaalt |
|---|---|---|---|
| Fabrieksprijs per stuk | €7,20 | €8,10 | Loonkosten, materiaalinkoop, schaal, en hoe volledig je tech pack is |
| Invoerrecht | Derdelandenrecht van toepassing | Preferentieel of nultarief, mits je product aan de oorsprongsregels voldoet | Goederencode plus oorsprong, op te zoeken in TARIC — nooit aan te nemen |
| Zeevracht per m³ | €38 | €52 | Route, seizoen, containerbezetting en het volume dat je verpakking inneemt |
| Levertijd tot je warehouse | 11 weken | 14 weken | Productietijd plus materiaal-levertijd plus vaartijd plus inklaring plus natransport |
| MOQ | 3.000 stuks | 1.200 stuks | Fabrieksschaal, en de materiaal-MOQ die daar vaak boven ligt |
| Werkkapitaal per order | Hoger: grotere order, langere reis | Lager: kleinere order, kortere reis | MOQ maal prijs, plus de tijd tussen betalen en verkopen |
Alle bedragen en termijnen hierboven zijn illustratief. Land A is per stuk goedkoper en per order duurder om te financieren; welke van die twee zwaarder weegt, hangt af van je omloopsnelheid en niet van je landed cost. Voor een uitgewerkt regiovoorbeeld, zie de gids over sourcing uit Vietnam.
Het landed cost werkblad
Dit is de tabel om over te nemen. De middelste kolom is de belangrijkste: elk getal in een landed-costmodel hoort een bron te hebben die je kunt navragen, en een reden waarom het kan veranderen. De rechterkolom houdt kostprijs en cashflow gescheiden, want dat is het onderscheid dat een margevergelijking maakt of breekt.
| Regel | Waar het getal vandaan komt | Waar het thuishoort |
|---|---|---|
| Fabrieksprijs × aantal | De quote, met de Incoterm er expliciet bij | Kostprijs |
| Gereedschap, mallen, ontwikkelkosten | Aparte regel op de quote; afschrijven over het volume waarvoor je ze koopt | Kostprijs, gespreid over dat volume |
| Materiaaltoeslag of prijsindexatie | De voorwaarde in je order waarin die is afgesproken | Kostprijs |
| Inspectie en labtesten | Tarief per mandag plus reiskosten; labkosten per norm | Kostprijs |
| Voorvervoer en exportformaliteiten | Zit bij FOB in de prijs, bij EXW niet — check de term | Kostprijs |
| Hoofdvervoer | Vrachtquote, op gewicht of op volume — kijk welke van de twee | Kostprijs, verdeeld op diezelfde eenheid |
| Toeslagen: brandstof, piek, congestie | Aparte regels op de vrachtquote; vraag ernaar als ze er niet staan | Kostprijs |
| Verzekering | Premie over de te verzekeren waarde | Kostprijs, verdeeld naar waarde |
| Terminal- en havenkosten bij aankomst | Tarieflijst van de terminal, via je forwarder | Kostprijs |
| Invoerrecht | Grondslag volgens artikel 70 en 71 DWU, maal het tarief bij je goederencode in TARIC | Kostprijs, per aangifteregel |
| Antidumping- of compenserend recht | Maatregel bij je goederencode en oorsprong in TARIC | Kostprijs, per aangifteregel |
| Btw bij invoer | Btw-tarief over de transactiewaarde plus bijkomende kosten tot de bestemming in de EU plus de heffingen bij invoer | Cashflow — buiten de kostprijs, tenzij je geen recht op aftrek hebt |
| Inklaring en aangiftekosten | Tarief van je douaneagent: per aangifte plus per extra regel | Kostprijs, per aangifteregel |
| Kosten van controle of scan | Tarief van de scanlocatie plus het transport erheen | Risicoreservering |
| Standgeld en detentie | Tarief per dag na de vrije periode | Risicoreservering — zet er een bedrag, geen nul |
| Natransport naar je warehouse | Transportquote, per container of per pallet | Kostprijs |
| Lossen, inslag, ompakken | Warehousetarief per pallet of per uur | Kostprijs |
| Opslag tot verkoop | Warehousetarief per pallet per week, maal je verwachte doorlooptijd | Kostprijs per stuk, via je omloopsnelheid |
| Valutakoers en spread | Verschil tussen dagkoers en de koers die je bank rekent, plus hedgekosten | Kostprijs |
| Betaalkosten | Overboekingskosten, kosten van een letter of credit of van je betaalplatform | Kostprijs |
| Rentelast op voorraad | Je kapitaalkosten maal de gemiddelde voorraadwaarde maal de tijd | Cashflow, en via de tijd ook kostprijs |
| Afkeur, beschadiging en retouren | Je eigen historische percentages | Verkleint de noemer: het aantal verkoopbare stuks |
Landed cost per stuk = som van alle kostprijsregels / aantal stuks dat je werkelijk kunt verkopen
De noemer is wat de meeste modellen missen. Afkeur, beschadiging en retouren verkleinen het aantal verkoopbare stuks terwijl de kosten al volledig zijn gemaakt.
Wanneer landed cost niet het laatste woord heeft
Landed cost is één as. Er zijn er vier, en ze wijzen regelmatig in verschillende richtingen. Dit is de volgorde waarin je ze tegen elkaar afweegt zonder dat de goedkoopste optie automatisch wint.
-
Zet alles op hetzelfde punt
Reken elke optie om naar landed cost per verkoopbaar stuk, in euro's, tot in je warehouse. Zolang twee opties op verschillende Incoterms of verschillende valuta's staan, vergelijk je niets.
-
Scheid definitieve kosten van voorschotten
Invoerrecht in de marge, btw bij invoer in de cashflow. Doe je dat niet, dan lijkt elk importproduct slechter dan het is en elke binnenlandse leverancier beter.
-
Leg de werkkapitaalbehoefte ernaast
MOQ maal prijs, plus de tijd tussen betalen en verkopen. Een optie die per stuk vijf procent goedkoper is maar het dubbele van je cash vastlegt, is voor een groeiend merk vaak de slechtere keuze — je financiert er groei mee weg.
-
Weeg de levertijd tegen je seizoen
Drie weken langer is gratis in januari en heel duur in september. Zet naast elke optie de datum waarop de voorraad verkoopbaar staat, niet de doorlooptijd in weken.
-
Prijs het kwaliteitsrisico in plaats van het te negeren
Een verwacht afkeurpercentage, een extra inspectieronde en een tweede materiaalbron zijn allemaal getallen. Een risico dat je niet inprijst, staat later als volle post in je resultaat.
-
Kijk welke aanname het meest kan bewegen
Varieer per optie de twee grootste onzekerheden — vaak het invoerrechttarief en de vrachtprijs — en kijk of de rangorde verandert. Blijft dezelfde optie bovenaan, dan is je beslissing robuust. Kantelt hij, dan is je volgende stap het opzoeken van die getallen en niet het kiezen.
Hoe Library of Trade hiermee werkt
Wij zijn geen marktplaats en geen expediteur: je contracteert zelf met je leveranciers en houdt de regie over je product en je keten. Wat we doen op dit onderwerp is scenario's doorrekenen — product- en landed-costscenario's naast elkaar, met de vracht, de heffingen en de doorlooptijd erin — zodat de vergelijking bestaat voordat de beslissing valt. Software structureert de informatie en rekent de varianten door; mensen met productervaring beoordelen of de aannames erachter houdbaar zijn. Meer over die werkwijze staat in hoe Library of Trade werkt.
Behandelde onderwerpen
- Kosten toewijzen per SKU
- BTW bij invoer
- Vergunning artikel 23
- Incoterms en vergelijkbare quotes
- Invoerrechten, indeling en oorsprong
- Landed cost werkblad
- Landenvergelijking